ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2384
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ingangsdatum toekenning bijstand na loonschuld werkgever
Appellante vroeg bijstand aan op 23 juli 2009 nadat zij sinds 21 mei 2009 wegens ziekte geen loon meer ontving van haar werkgever. Het college wees de aanvraag aanvankelijk af omdat zij aanspraak kon maken op een voorliggende voorziening, maar keerde dit besluit later om en kende bijstand toe vanaf de datum van de aanvraag, niet met terugwerkende kracht vanaf mei 2009.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. Appellante voerde aan dat zij eerst haar recht op loon wilde effectueren en zich pas later tot het UWV wendde, waardoor bijzondere omstandigheden bestonden voor terugwerkende bijstand.
De Raad oordeelde dat appellante bewust heeft gewacht met het aanvragen van bijstand, ondanks dat het haar vanaf het moment van contact met het UWV duidelijk had moeten zijn dat zij geen periodiek inkomen zou ontvangen. Dit was een inschattingsfout die voor haar risico kwam. Er waren geen bijzondere omstandigheden die een afwijking van het uitgangspunt rechtvaardigden dat bijstand niet met terugwerkende kracht wordt verleend. Het hoger beroep werd daarom verworpen.
Uitkomst: De toekenning van bijstand gaat in vanaf de datum van aanvraag en niet met terugwerkende kracht.