ECLI:NL:CRVB:2009:BH2388
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- A.B.J. van der Ham
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ontslag op dringende grond
Appellante was sinds 1999 in dienst van haar werkgever, vanaf 2002 als hoofd huishouding. In 2006 werd zij op non-actief gesteld na klachten van medewerkers over agressief gedrag en het afpersen van leningen. De werkgever verzocht de kantonrechter om ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens een dringende reden. De kantonrechter oordeelde dat appellante misbruik had gemaakt van haar positie en functioneringsgesprekken had voorgewend, en ontbond de arbeidsovereenkomst per 3 februari 2007.
Het UWV weigerde daarop de WW-uitkering aan appellante op grond van verwijtbare werkloosheid. Appellante maakte bezwaar, dat werd afgewezen. De rechtbank bevestigde dit besluit. In hoger beroep stelde appellante dat het UWV onvoldoende onderzoek had gedaan en dat zij onvoldoende gelegenheid had gehad om zich te verdedigen in de ontbindingsprocedure.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat het UWV zijn standpunt mocht baseren op de kantonrechterlijke beschikking en de bijbehorende verklaringen, die inhoudelijk consistent waren. Appellante had onvoldoende tegenbewijs geleverd en had in bezwaar en beroep geen nieuwe feiten of getuigen ingebracht. De Raad bevestigde dat aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag lag en dat appellante dit verwijtbaar was. De weigering van de WW-uitkering was daarom terecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante verwijtbaar werkloos is geworden en dat het UWV terecht haar WW-uitkering heeft geweigerd.