ECLI:NL:CRVB:2009:BH2393
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verwijtbare werkloosheid wegens overtreding concurrentiebeding
Appellante was werkzaam bij een bedrijf met een concurrentiebeding in haar arbeidsovereenkomst. Na een vonnis in kort geding dat haar verbood concurrerende werkzaamheden te verrichten, sloot zij een beëindigingsovereenkomst met haar werkgever. Het UWV weigerde haar WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid, stellende dat sprake was van een dringende reden volgens artikel 7:678 BW Pro.
De rechtbank bevestigde dit standpunt, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde anders. De Raad stelde vast dat hoewel het vonnis gevolgen had voor de inzetbaarheid van appellante, er geen sprake was van een gedraging die ontslag op staande voet rechtvaardigde. Er was geen bewijs dat de werkgever aansprakelijk gesteld zou worden of dat het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst onredelijk was.
De Raad benadrukte dat de beoordeling van een dringende reden individueel moet plaatsvinden, rekening houdend met de aard van de gedraging, de dienstbetrekking en persoonlijke omstandigheden. Gezien deze factoren concludeerde de Raad dat het UWV ten onrechte had geoordeeld dat appellante verwijtbaar werkloos was geworden. Het besluit en de uitspraak van de rechtbank werden vernietigd, en het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: Het besluit van het UWV om de WW-uitkering te weigeren wegens verwijtbare werkloosheid wordt vernietigd.