Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3193

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 juli 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-813 ZW-V
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:11 AwbArt. 8:38 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 21 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet gegrond wegens verschoonbare termijnoverschrijding bij hoger beroep in socialezekerheidszaak

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep van appellante tegen een uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage behandeld. Het hogerberoepschrift was niet tijdig ingediend, omdat de aangetekende brief met de uitspraak niet werd afgehaald. De rechtbank had vervolgens een afschrift van de uitspraak per gewone brief verzonden, met een onduidelijke vermelding over de aanvang van de hogerberoepstermijn.

Appellante mocht op grond van deze onduidelijke informatie aannemen dat de termijn opnieuw was begonnen, waardoor zij haar hoger beroep binnen zes weken na de gewone brief heeft ingediend. De Raad oordeelde dat de overschrijding van de termijn verschoonbaar was vanwege deze onduidelijkheid.

De Raad beveelt aan dat rechtbanken bij het opnieuw toezenden van een afschrift van een uitspraak duidelijk vermelden dat de hogerberoepstermijn niet opnieuw begint. Het verzet van appellante wordt gegrond verklaard, de eerdere niet-ontvankelijkverklaring vervalt en het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten van het verzet.

Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard wegens verschoonbare termijnoverschrijding en het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

09/813 ZW-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 9 december 2008, 08/1227 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 14 juli 2009
I. PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet van 18 maart 2009 heeft de Raad het namens appellante door mr. R.S. Pot, advocaat te Amsterdam, ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen de uitspraak van de Raad van 18 maart 2009 heeft mr. Pot namens appellante verzet gedaan.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2009. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr.M.C. Spil, advocaat te Amsterdam, en het Uwv door mr. K.M. Schuyt, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
De uitspraak van de Raad van 19 maart 2009 berust op de overwegingen dat het hogerberoepschrift niet tijdig is ingediend, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest.
De Raad is allereerst van oordeel dat het, op 4 februari 2009 gedateerde en op 5 februari 2009 bij de Raad ontvangen, hogerberoepschrift niet tijdig is ingediend.
Voor de Raad staat vast dat een afschrift van de aangevallen uitspraak bij aangetekende brief van 18 december 2008 is verzonden aan het - juiste - adres van appellante. Op 12 januari 2009 is deze brief bij de rechtbank terug ontvangen met de mededelingen van TNT Post “geen gehoor” en “niet afgehaald”. Volgens vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechters, waaronder de Raad, rust in geval van aangetekende verzending op de geadresseerde de bewijslast met betrekking tot gestelde onregelmatigheden in de verwerking van het desbetreffende poststuk. In dit bewijs acht de Raad appellante niet geslaagd.
De Raad is vervolgens van oordeel dat de overschrijding van de hogerberoepstermijn in dit geval verschoonbaar is.
Uit de gedingstukken blijkt dat de rechtbank, toepassing gevend aan artikel 8:38, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, op 14 januari 2009 een afschrift van de aangevallen uitspraak bij gewone brief aan appellante heeft verzonden. De rechtbank heeft dat afschrift gehecht aan een kopie van de brief van 18 december 2008, met in de rechterbovenhoek de - nauwelijks leesbare - vermelding “onaangetekend” en een datumstempel 14 januari 2009. De brief van 18 december 2008 bevat onder meer de volgende passage: “Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open. Indien u daarvan gebruik wenst te maken, dient u binnen zes weken na dagtekening van deze brief een brief (beroepschrift) en een kopie van bijgaande uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep (…).” Appellante heeft daaruit afgeleid, en naar het oordeel van de Raad ook mogen afleiden, dat de hogerberoepstermijn was aangevangen op 15 januari 2009. Daarvan uitgaande heeft zij zich op 4 februari 2009 tot mr. Pot gewend, die op dezelfde dag namens appellante hoger beroep heeft ingesteld.
De Raad hecht eraan op te merken dat de handelwijze van de rechtbank minder gelukkig is. Aldus wordt immers de indruk gewekt dat de hogerberoepstermijn opnieuw zou zijn aangevangen, hetgeen niet het geval is. Het verdient daarom aanbeveling dat de rechtbank in een dergelijk geval bij het opnieuw toezenden van een afschrift van de uitspraak een brief voegt waarin duidelijk wordt vermeld dat de hogerberoepstermijn niet opnieuw is aangevangen en dat binnen zes weken na de dag van de eerste - aangetekende - verzending hoger beroep moet worden ingesteld.
Het verzet dient gegrond te worden verklaard. Dit betekent dat de uitspraak van de Raad van 18 maart 2009 vervalt en dat het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond.
De Raad ziet ten slotte aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van het verzet van appellante, begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet gegrond;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van het verzet appellante tot een bedrag van € 322,-.
Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van P.A.M. Hulsdouw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2009.
(get.) T.G.M. Simons.
(get.) P.A.M. Hulsdouw.
NW