ECLI:NL:CRVB:2009:BJ5402
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- J.F. Bandringa
- O.L.H.W.I. Korte
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking en terugvordering WIK-uitkering wegens gebrek feitelijke grondslag en overschrijding redelijke termijn
Appellant ontving een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars (WIK) van 1999 tot 2003. Het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam besloot in 2004 tot herziening en terugvordering van de uitkering, wat door appellant werd aangevochten. Na diverse procedures werd het bezwaar door het College opnieuw ongegrond verklaard in 2006.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, maar de Raad constateert dat het College onvoldoende feitelijke grondslag had voor het standpunt dat appellant zijn woonstede in Amsterdam had opgegeven. De Raad vernietigt het besluit van 17 januari 2006 en herroept het primaire besluit van 13 januari 2004 vanwege motiveringsgebrek.
Daarnaast heeft de Raad vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van de procedure zowel in de bestuurlijke als rechterlijke fase is overschreden. Daarom wordt het verzoek om schadevergoeding in verband met deze overschrijding heropend, waarbij ook de Staat der Nederlanden als partij wordt betrokken. Het College wordt veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking en terugvordering van de WIK-uitkering wordt vernietigd en het onderzoek naar schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt heropend.