ECLI:NL:CRVB:2010:BL7384
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAZ-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant maakte bezwaar tegen de intrekking van zijn WAZ-uitkering, die was gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van minder dan 25% per 9 december 2007. De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard omdat de beperkingen van appellant correct waren weergegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) en de arbeidskundige beoordeling juist was.
In hoger beroep voerde appellant medische en arbeidskundige gronden aan, ondersteund door rapporten van een klinisch psycholoog en een neuroloog. De Raad stelde dat alleen beperkingen die medisch objectief zijn vastgesteld en logisch samenhangen met ziekte of gebrek tot arbeidsongeschiktheid kunnen leiden. De rapporten van appellant boden onvoldoende medische onderbouwing voor extra beperkingen of urenbeperking.
De Raad verwierp de stelling dat het verzekeringsgeneeskundig protocol Beroerte van toepassing was, omdat appellant geen beroerte had en het protocol pas na de datum van het besluit van kracht werd. Ook de urenbeperking die appellant wenste, werd niet gevolgd vanwege onvoldoende onderbouwing.
De arbeidskundige beoordeling dat appellant de geselecteerde functies kon vervullen werd niet betwist. De Raad concludeerde dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de WAZ-uitkering wordt bevestigd wegens onvoldoende medisch onderbouwde arbeidsongeschiktheid en afwijzing van het hoger beroep.