ECLI:NL:CRVB:2010:BM3598
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- H.G. Rottier
- K.J. Kraan
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering Ziektewetuitkering wegens vermeende benadelingshandeling
Appellant was sinds 1978 werkzaam bij een werkgever en werd op 2 juni 2006 ontslagen wegens diefstal van shag op 3 maart 2006. Het UWV weigerde aanvankelijk een WW-uitkering, wat onherroepelijk werd verklaard. Appellant meldde zich op 19 juni 2006 ziek en het UWV weigerde vervolgens ook een Ziektewetuitkering, stellende dat sprake was van verwijtbare werkloosheid en dus een benadelingshandeling op grond van artikel 45 ZW Pro.
De rechtbank oordeelde dat de weigering terecht was, maar het UWV wijzigde later haar standpunt en stelde dat alleen bij een voorzienbaar verband tussen het gedrag dat tot ontslag leidde en de arbeidsongeschiktheid een benadelingshandeling kon worden aangenomen. Na medisch onderzoek concludeerde een UWV-arts dat psychische klachten van appellant verband hielden met de ontslagomstandigheden.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat appellant geen loonaanspraken heeft prijsgegeven na het intreden van de arbeidsongeschiktheid en dat de ongeschiktheid niet mede aan de ontbinding van de arbeidsovereenkomst ten grondslag lag. De Raad ziet geen voorzienbaar verband tussen het gedrag op 3 maart 2006 en de arbeidsongeschiktheid vanaf 19 juni 2006. Daarom vernietigt de Raad het bestreden besluit en beveelt het UWV een nieuw besluit te nemen, inclusief een beoordeling van schadevergoeding en proceskosten.
Uitkomst: Het besluit van het UWV tot weigering van de Ziektewetuitkering wordt vernietigd en het UWV wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.