ECLI:NL:CRVB:2023:1983
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling benadelingshandeling bij verlaging Ziektewetuitkering na vechtpartij op werk
Betrokkene was betrokken bij een vechtpartij op het werk op 2 oktober 2018, waarbij hij letsel opliep en zich ziek meldde. Twee dagen later hervatte hij zijn werkzaamheden, maar werd op 8 oktober 2018 op non-actief gesteld en meldde zich ziek met psychische klachten. De werkgever vroeg ontbinding van de arbeidsovereenkomst, welke uiteindelijk per 1 juni 2019 werd uitgesproken wegens verwijtbaar handelen van betrokkene.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) legde op grond van dit verwijtbaar handelen een maatregel op de Ziektewetuitkering op, die betrokkene aanvocht. De voorzieningenrechter oordeelde dat geen sprake was van een benadelingshandeling en herroept het besluit tot verlaging van de uitkering.
Appellante stelde in hoger beroep dat de gedragingen van betrokkene wel een benadelingshandeling vormden omdat hij het risico op arbeidsongeschiktheid had moeten voorzien en dat dit ook het ontslag veroorzaakte. De Raad volgt dit niet, omdat betrokkene zijn werk hervatte en de ongeschiktheid niet direct door de vechtpartij werd veroorzaakt. Er was geen voorzienbaar verband tussen de gedraging en de arbeidsongeschiktheid.
De Raad bevestigt dat de voorzieningenrechter terecht de maatregel heeft herroepen en dat de vraag naar verwijtbaarheid en alternatieve maatregelen terecht buiten beschouwing is gelaten. Appellante krijgt geen proceskostenvergoeding en het betaalde griffierecht wordt niet teruggegeven.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat geen benadelingshandeling is gepleegd en herroept de maatregel tot verlaging van de Ziektewetuitkering.