ECLI:NL:CRVB:2010:BN1274
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering en intrekking bijstand wegens niet-rechtmatig verblijf
Appellante, die sinds 1996 in Nederland verblijft, vroeg in juli 2006 bijstand aan voor zichzelf en haar kinderen. Het College weigerde deze bijstand omdat appellante en haar kinderen niet rechtmatig in Nederland verbleven volgens artikel 11 van Pro de WWB. Appellante stelde beroep in tegen deze besluiten, maar de rechtbank verklaarde deze ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK) en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) haar recht op bijstand ondersteunen.
De Raad overwoog dat artikel 27 IVRK Pro niet bindend is als bedoeld in de Grondwet en dat de koppelingsregeling in de WWB een aanvaardbaar onderscheid maakt tussen vreemdelingen en Nederlanders. De Raad bevestigde dat de kinderen van appellante in juli 2006 niet rechtmatig in Nederland verbleven, waardoor de weigering van bijstand ook voor hen terecht was. Tevens werd bevestigd dat de intrekking van de bijstand per 1 maart 2007 gerechtvaardigd was, mede omdat er een voorliggende voorziening voor rechtmatig verblijvende minderjarige kinderen bestaat.
De Raad concludeerde dat de weigering en intrekking van bijstand geen onredelijke individuele last opleveren en dat de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd wordt. Er is geen aanleiding voor een vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering en intrekking van bijstand wegens niet-rechtmatig verblijf.