ECLI:NL:CRVB:2011:BR4268
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Weigering kinderbijslag voor in Westelijke Sahara wonend kind gegrond verklaard
Appellant, woonachtig in Marokko, verzocht kinderbijslag voor zijn kinderen die in de Westelijke Sahara wonen. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) weigerde dit op grond van de Wet beperking export uitkeringen (Wet BEU), omdat de Westelijke Sahara niet wordt erkend als onderdeel van Marokko en er geen handhavingsverdrag met dit gebied bestaat.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep stelde vast dat de rechtbank ten onrechte de toetsing beperkte. De Raad oordeelde dat de Svb terecht de kinderbijslag weigerde voor de periode van het tweede kwartaal 2004 tot en met het tweede kwartaal 2006, omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij met zijn kinderen in Marokko woonde.
De Raad overwoog dat de annexatie van de Westelijke Sahara door Marokko volkenrechtelijk geen betekenis heeft, waardoor verdragen met Marokko niet op dit gebied van toepassing zijn. Verder concludeerde de Raad dat er geen sprake is van ongerechtvaardigde ongelijke behandeling of schending van het eigendomsrecht. Het beroep op internationale verdragen en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens werd verworpen.
De Raad veroordeelde de Svb tot vergoeding van de proceskosten van appellant in hoger beroep en bepaalde dat het betaalde griffierecht aan appellant wordt vergoed.
Uitkomst: Het beroep van appellant tegen de weigering van kinderbijslag voor zijn in de Westelijke Sahara wonende kinderen wordt ongegrond verklaard.