ECLI:NL:CRVB:2010:BO2072
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toekenning bijstand na verkrijging verblijfsvergunning en beoordeling terugwerkende kracht
Betrokkene, met de Marokkaanse nationaliteit, vroeg bijstand aan vanaf 4 augustus 2006. Het College wees dit aanvankelijk af vanwege het ontbreken van een geldige verblijfsvergunning. Na een succesvolle beroepsprocedure kreeg betrokkene met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning vanaf 16 december 2005.
Het College kende bijstand toe vanaf 29 maart 2007, maar weigerde dit met terugwerkende kracht voor de periode van 4 augustus 2006 tot 28 maart 2007. De rechtbank verklaarde dit besluit onterecht en beval heroverweging, maar de Centrale Raad van Beroep stelde vast dat de rechtbank het onderscheid tussen twee periodes niet had gemaakt: de periode tot 25 oktober 2006, waarin een besluit onherroepelijk was, en de periode daarna tot 28 maart 2007, waarvoor geen besluit was genomen.
De Raad oordeelde dat de beschikking van de Staatssecretaris een nieuw feit was, maar betrokkene niet aannemelijk had gemaakt dat zij een reële schuld had met concrete aflossingsverplichtingen die rechtvaardigen dat het College terugkomt op het eerdere besluit. Ook werd geoordeeld dat de terugwerkende verblijfsvergunning geen bijzondere omstandigheid vormt om bijstand met terugwerkende kracht te verlenen. Het beroep werd gegrond verklaard, het eerdere besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit werden in stand gelaten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit blijven in stand.