ECLI:NL:CRVB:2011:BP9890
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- A.A.H. Schifferstein
- Rechtspraak.nl
Gevolgen te laat nemen loonsanctiebesluit bij herstelmelding tekortkoming volgens Wet WIA
In deze zaak stond centraal de vraag welke gevolgen verbonden zijn aan het te laat nemen van een loonsanctiebesluit door het UWV, in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Betrokkene had recht op loon tijdens ziekte, maar het UWV verlengde de wachttijd met 52 weken wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen van de werkgever, belanghebbende.
De rechtbank had het beroep van betrokkene gegrond verklaard omdat het loonsanctiebesluit te laat was genomen, waardoor het besluit vernietigd moest worden en een nieuw besluit moest worden genomen. Het UWV ging in hoger beroep en stelde dat de gevolgen van het te laat nemen van het besluit alleen aan de orde zijn als de tekortkoming is hersteld en een herstelmelding is gedaan.
De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat belanghebbende geen melding had gedaan dat de tekortkoming was hersteld. Daardoor bestond er geen aanleiding voor het UWV om het besluit te nemen met inachtneming van eventuele gevolgen van de vertraging. De Raad concludeerde dat de rechtbank een onjuiste uitleg had gegeven aan artikel 25, negende tot en met veertiende lid, van de Wet WIA. Het hoger beroep van het UWV werd gegrond verklaard, de aangevallen uitspraak vernietigd en het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep tegen het loonsanctiebesluit ongegrond verklaard.