ECLI:NL:CRVB:2014:3159
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen werkgever
De Centrale Raad van Beroep behandelde het hoger beroep van een werkgever tegen een loonsanctie opgelegd door het UWV wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
Het UWV had het recht op loon tijdens ziekte verlengd met 52 weken omdat de werkgever te laat was gestart met re-integratie in het tweede spoor. De rechtbank had dit standpunt al bevestigd en de Raad toetste dit oordeel. De werkgever voerde onder meer aan dat de loonsanctie vanwege de te late oplegging verkort had moeten worden en dat het UWV onvoldoende onderzoek had gedaan naar het werk bij een tweede werkgever van de werknemer.
De Raad oordeelde dat de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen had verricht, dat het te laat opleggen van de loonsanctie geen reden is voor verkorting zonder herstelmelding, en dat het bestaan van een tweede dienstverband de verplichtingen van de werkgever niet wegneemt. Ook werd bevestigd dat het niet raadplegen van de Landelijke Loonsanctie Commissie geen schending van een wettelijke regel oplevert.
De Raad bevestigde daarmee de eerdere uitspraak van de rechtbank Arnhem en wees het beroep van de werkgever af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen en wijst het hoger beroep van de werkgever af.