ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3301
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvragen wegens gezamenlijke huishouding en ontbreken mantelzorgstatus
Appellant diende op 27 november 2007 een aanvraag om bijstand in als alleenstaande, maar het College wees deze af wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met hoofdbewoner [B.]. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat sprake was van gezamenlijke huishouding en dat appellant niet als mantelzorger kon worden aangemerkt vanwege het ontbreken van zorgbehoefte bij [B.].
In hoger beroep betwistte appellant deze conclusies, stelde dat [B.] zorgbehoevend was en dat het huisbezoek zonder informed consent plaatsvond. Tevens diende appellant een tweede aanvraag in maart 2008, die eveneens werd afgewezen wegens het ontbreken van relevante wijziging in omstandigheden. De rechtbank bevestigde dit oordeel.
De Raad oordeelde dat de onderzoeksbevindingen voldoende waren om de gezamenlijke huishouding vast te stellen en dat het indicatie-advies van het CIZ uit 2009 niet relevant was voor de periode van belang. De stelling dat het huisbezoek zonder informed consent was, werd verworpen omdat de conclusie reeds op andere gronden gerechtvaardigd was.
Verder werd geoordeeld dat appellant niet had aangetoond dat [B.] zorgbehoevend was volgens de WWB, ondanks de verslechterde gezondheid en indicatie voor huishoudelijke ondersteuning. Ten aanzien van de tweede aanvraag stelde de Raad dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat de omstandigheden waren gewijzigd zodat hij recht had op bijstand.
De verzoeken om schadevergoeding werden afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. De aangevallen uitspraken werden bevestigd.
Uitkomst: De bijstandsaanvragen van appellant worden afgewezen wegens gezamenlijke huishouding en ontbreken mantelzorgstatus; verzoeken om schadevergoeding worden eveneens afgewezen.