ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6325
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- J.N.A. Bootsma
- W.F. Claessens
- Rechtspraak.nl
Herleving arbeidsverplichtingen na tijdelijke ontheffing in bijstandsuitkering
Appellante ontvangt sinds 1997 een bijstandsuitkering en werd in 2004 tijdelijk ontheven van haar arbeidsverplichtingen tot 1 juni 2006 vanwege medische en sociaal-maatschappelijke omstandigheden. Het College van burgemeester en wethouders van Rotterdam nam geen nieuw besluit na deze datum. Appellante maakte bezwaar tegen het uitblijven van een besluit over voortzetting van de ontheffing, maar dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep betoogde appellante dat het College verplicht was een vervolgbesluit te nemen en dat zij erop mocht vertrouwen dat dit zou gebeuren. De Raad overwoog dat volgens vaste rechtspraak de arbeidsverplichtingen na afloop van een tijdelijke ontheffing van rechtswege herleven, zonder dat een nieuw besluit vereist is.
De Raad oordeelde dat appellante geen recht had op een ambtshalve nieuw besluit en dat het College het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaarde. Tevens werd opgemerkt dat appellante zich tijdig had moeten wenden tot het College voor duidelijkheid, in plaats van pas na ruim twee jaar. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat arbeidsverplichtingen na tijdelijke ontheffing van rechtswege herleven en verklaart het bezwaar tegen het uitblijven van een nieuw besluit niet-ontvankelijk.