ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7750
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering faillissementsuitkering wegens betalingsonmacht werkgever
Appellant trad op 18 juli 2008 in dienst bij een werkgever die op 14 oktober 2008 failliet werd verklaard. Het UWV weigerde op grond van artikel 63 van Pro de WW een faillissementsuitkering toe te kennen omdat appellant bij aanvang van de dienstbetrekking redelijkerwijs had kunnen voorzien dat loonbetaling niet of slechts gedeeltelijk zou plaatsvinden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat hij vertrouwen had in de orderportefeuille en dat het wegvallen van de enige klant van de werkgever niet voorzienbaar was. De Raad oordeelde echter dat het voor appellant objectief voorzienbaar was dat de loonbetaling zou mislukken, mede omdat de werkgever al twee jaar bestond en afhankelijk was van één opdrachtgever.
De Raad stelde vast dat appellant onvoldoende onderzoek had gedaan naar de financiële situatie van de werkgever en dat de opgelegde maatregel van een blijvende gehele weigering passend was gezien de ernst van de gedraging. Het bestreden besluit werd dan ook bevestigd en de aangevallen uitspraak gehandhaafd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de faillissementsuitkering wegens voorzienbare betalingsonmacht bij aanvang van de dienstbetrekking.