ECLI:NL:CRVB:2011:BR0658
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering onverschuldigde WW-uitkering wegens schending inlichtingenplicht
Appellant ontving vanaf 1 oktober 2007 een WW-uitkering gebaseerd op een volledig arbeidsurenverlies. Na melding van werkzaamheden in de broodjeszaak van zijn echtgenote startte het UWV een onderzoek. Dit leidde tot de conclusie dat appellant gedurende de periode 1 oktober 2007 tot en met 30 september 2008 volledig werkzaam was geweest, zonder dit aan het UWV te melden.
Het UWV besloot de onverschuldigd betaalde uitkering van €30.637,88 terug te vorderen en legde een boete van €2.269,- op wegens schending van de mededelingsplicht. De rechtbank verklaarde de bezwaren van appellant ongegrond en oordeelde dat het UWV terecht tot intrekking en terugvordering was overgegaan en dat de boete terecht was opgelegd.
In hoger beroep erkende appellant de schending van de inlichtingenplicht. De Raad concludeerde op basis van het onderzoek, getuigenverklaringen en verklaringen van appellant zelf dat hij gedurende zes dagen per week werkzaamheden verrichtte in de broodjeszaak. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat geen dringende redenen bestonden om af te zien van intrekking en terugvordering.
Ten aanzien van de boete oordeelde de Raad dat het onjuist invullen van werkbriefjes een ernstige overtreding is binnen de WW-systematiek en dat appellant zowel objectief als subjectief verwijtbaar handelde. De opgelegde boete werd als evenredig beschouwd.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de aangevallen uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van de onverschuldigde WW-uitkering en handhaaft de boete van €2.269,- wegens schending van de inlichtingenplicht.