ECLI:NL:CRVB:2011:BR1924
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging inhouding zorgbijdrage op pensioen van in EU woonachtige gepensioneerde
Appellant, woonachtig in Frankrijk en ontvanger van een AOW-pensioen en daarvoor een WAO-uitkering, werd door het College voor zorgverzekeringen (Cvz) op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) als verdragsgerechtigde aangemerkt. Cvz hield een bijdrage in op zijn WAO-uitkering en vervolgens op zijn AOW-pensioen. Appellant betwistte deze inhouding en stelde dat hij een keuzerecht had om zich al dan niet te onderwerpen aan de regeling en dat de inhouding het vrije verkeer van EU-burgers onrechtvaardig zou belemmeren.
De Raad stelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat oordeelde dat de conflictregels van Verordening 1408/71 dwingend zijn en dat inschrijving bij het bevoegde orgaan van het woonland slechts een administratieve formaliteit is. Het Hof bevestigde dat de bijdrageplicht blijft bestaan, ook als de verzekerde zich niet inschrijft. Tevens oordeelde het Hof dat de nationale regeling het vrije verkeer van EU-burgers niet onrechtmatig beperkt, aangezien de bijdrage wordt gekoppeld aan het recht op zorg in het woonland en rekening wordt gehouden met een woonlandfactor.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank Amsterdam dat Cvz terecht de bijdrage inhoudt op de uitkeringen van appellant. Er was geen sprake van een ongerechtvaardigde beperking van het vrije verkeer van personen en geen keuzerecht om zich aan de regeling te onttrekken. De proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: Het besluit van het College voor zorgverzekeringen om een zorgbijdrage in te houden op het pensioen van appellant wordt bevestigd.