ECLI:NL:CRVB:2011:BR1933
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- C.W.J. Schoor
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Herbeoordeling arbeidsongeschiktheid en uitlooptermijn bij beëindiging nabestaandenuitkering volgens Algemene nabestaandenwet
Betrokkene vroeg in 2005 een nabestaandenuitkering aan op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW), waarbij zij aangaf meer dan 45% arbeidsongeschikt te zijn. Na een eerste positieve beoordeling werd de uitkering toegekend. Bij een herbeoordeling in 2006 concludeerde een medisch en arbeidskundig onderzoek dat betrokkene niet langer arbeidsongeschikt was, waarop de uitkering werd beëindigd per 30 september 2006. Betrokkene maakte bezwaar, waarna de uitkering werd beëindigd per 1 november 2006.
De rechtbank oordeelde dat het besluit tot beëindiging niet deugdelijke medische en arbeidskundige onderbouwing had en vernietigde het besluit. De Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat overeenkomstige toepassing van het arbeidsongeschiktheidscriterium uit het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten vanaf 1 oktober 2004 is toegestaan bij de ANW. Tevens is een uitlooptermijn van ten minste twee maanden bij beëindiging van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen passend, ook bij de ANW, ondanks de imperatieve tekst van artikel 16 ANW Pro.
De Raad stelt dat het bijduiden van functies voor de beoordeling van arbeidsongeschiktheid beperkt is tot functies die voldoende verwant zijn aan oorspronkelijk geduide functies, waarbij een verwantschap van ten minste 65% volgens SBC-codes geldt. In deze zaak was die onderbouwing onvoldoende. De Raad draagt appellant op binnen acht weken de gebreken in het besluit te herstellen door nieuw arbeidskundig onderzoek te laten verrichten en op basis daarvan een deugdelijke beslissing te nemen.
Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van de nabestaandenuitkering wordt vernietigd vanwege onvoldoende arbeidskundige onderbouwing en de verplichting tot het toepassen van een uitlooptermijn wordt bevestigd.