ECLI:NL:CRVB:2019:3703
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging nabestaandenuitkering na herbeoordeling arbeidsongeschiktheid
Appellante ontving een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) vanwege meer dan 45% arbeidsongeschiktheid. Na een herkeuring door het UWV in 2013 werd geconcludeerd dat zij minder dan 45% arbeidsongeschikt was, waarna de Sociale Verzekeringsbank (Svb) de uitkering beëindigde.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellante tegen deze beëindiging ongegrond, waarbij zij het oordeel van een door de rechtbank ingeschakelde onafhankelijke verzekeringsarts volgde. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen werden onderschat en dat de door haar ingeschakelde verzekeringsarts een ander oordeel gaf. Tevens stelde zij dat de vastgestelde functies niet passend waren en dat haar maatmaninkomen onjuist was vastgesteld.
De Raad overwoog dat het oordeel van de onafhankelijke deskundige overtuigend en consistent was en dat de medische informatie die appellante in hoger beroep aanvoerde betrekking had op een latere periode dan de datum in geschil. De Raad volgde de rechtbank in het oordeel dat de functies passend zijn en het maatmaninkomen correct is vastgesteld. Het verzoek om een onafhankelijke deskundige en om schadevergoeding werd afgewezen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee het bestreden besluit en wees het verzoek om schadevergoeding af, waarmee het hoger beroep ongegrond werd verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.