ECLI:NL:CRVB:2011:BR4028
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens schending inlichtingenverplichting
Appellant ontving bijstand sinds 2000, maar het College trok deze in vanaf 13 februari 2002 tot 12 december 2006 en vanaf 29 januari 2007 wegens het niet melden van bezit van grote bedragen contant geld en periodes van detentie.
De voorzieningenrechter verklaarde het beroep deels gegrond omdat het College niet alle relevante perioden had beoordeeld, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Appellant voerde aan dat hij slechts tijdelijk geld voor derden wisselde en dat dit geen schending van de inlichtingenverplichting opleverde.
De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk maakte dat het geld niet tot zijn vermogen behoorde en dat hij de inlichtingenverplichting had geschonden. Voor enkele data kon het recht op bijstand worden vastgesteld, maar voor de overige perioden niet, omdat appellant geen verifieerbare onderbouwing gaf.
Daarom werd het hoger beroep afgewezen en de intrekking van de bijstand bevestigd. De Raad zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting wordt bevestigd.