ECLI:NL:CRVB:2011:BR4175
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- C. van Viegen
- O.L.H.W.I. Korte
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor advocaatkosten wegens voorliggende voorziening
Appellant ontving een arbeidsongeschiktheidsuitkering en voerde een procedure tegen herziening van zijn uitkeringspercentage. Voor de kosten van hoger beroep vroeg hij bijzondere bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het College wees deze aanvraag af omdat appellant zich tot de Raad voor de Rechtsbijstand had kunnen wenden voor een toevoeging, die als voorliggende voorziening geldt.
Appellant maakte bezwaar en stelde dat hij geen keuze had in de advocaatkosten en dat de toevoeging onder de omstandigheden niet bereikbaar was. Het College handhaafde het besluit grotendeels, met uitzondering van een deel voor griffierecht. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat er geen dringende redenen waren om toch bijzondere bijstand toe te kennen.
In hoger beroep betoogde appellant dat de procedure noodzakelijk was en dat de toevoeging niet haalbaar was. De Raad oordeelde dat appellant geen beroep had gedaan op de voorliggende voorziening, terwijl dit mogelijk was. Daarom was er geen recht op bijzondere bijstand. Het hoger beroep faalde en de aangevallen uitspraak werd bevestigd.
De Raad zag geen aanleiding tot veroordeling in proceskosten. De uitspraak benadrukt dat een toevoeging op grond van de Wet op de rechtsbijstand een voorliggende voorziening is en dat bijzondere bijstand voor dezelfde kosten niet kan worden toegekend als die voorziening beschikbaar is.
Uitkomst: De aanvraag om bijzondere bijstand voor advocaatkosten wordt afgewezen omdat een toevoeging als voorliggende voorziening geldt en appellant daarvan geen gebruik heeft gemaakt.