ECLI:NL:CRVB:2011:BR4248
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Weigering kinderbijslag voor in Ghana wonend kind geen verboden onderscheid op grond van woonplaats
Appellante ontving tot eind 2002 kinderbijslag voor haar in Ghana wonende kinderen. Na invoering van de Wet BEU werd de uitkering vanaf 2003 geweigerd op grond van artikel 7b van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW), dat export van kinderbijslag beperkt tot landen waarmee een handhavingsverdrag is gesloten.
De rechtbank had de weigering eerder bevestigd, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigde dat oordeel deels en verwees de zaak terug voor herbeoordeling van de gronden tegen de weigering. In hoger beroep stelde appellante dat de weigering in strijd was met diverse internationale verdragsbepalingen, waaronder artikel 14 EVRM Pro in samenhang met artikel 1 EP Pro, het IVRK en het IVBPR, en dat sprake was van schending van het gelijkheidsbeginsel.
De Raad oordeelde dat het onderscheid naar woonplaats geen ontoelaatbaar onderscheid vormt en dat de Staat een ruime beoordelingsvrijheid (margin of appreciation) heeft bij het bepalen van de voorwaarden voor export van uitkeringen. Het ontbreken van een handhavingsverdrag met Ghana vormt geen schending van internationale verdragen. Ook het beroep op het eigendomsrecht faalt, mede door de overgangsregeling. Het beroep op het arrest Ásmundsson slaagt niet omdat de Wet BEU niet gericht is op bezuinigingen maar op controle van rechtmatigheid.
De Raad bevestigt de aangevallen uitspraak en heropent het onderzoek naar een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, waarbij de Staat als partij wordt betrokken.
Uitkomst: De weigering van kinderbijslag voor in Ghana wonende kinderen wordt bevestigd; geen schending van internationale verdragen of eigendomsrecht.