ECLI:NL:CRVB:2011:BU6530
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling opzegtermijn bij opvolgend werkgeverschap en recht op WW-uitkering
Appellant was sinds 1 april 1988 in dienst bij een reeks van opvolgende werkgevers, waarbij de laatste arbeidsovereenkomst met werkgever 3 op 1 augustus 2003 voor onbepaalde tijd was. Op 24 juni 2008 werd een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarna appellant per 1 augustus 2008 een WW-uitkering aanvroeg.
Het UWV ontzegde de uitkering tot en met 31 oktober 2008, uitgaande van een opzegtermijn van vier maanden, gebaseerd op het opvolgend werkgeverschap sinds 1988. De rechtbank bevestigde dit standpunt. Appellant stelde echter dat alleen de laatste arbeidsovereenkomst relevant is voor de opzegtermijn, wat zou leiden tot een opzegtermijn van één maand en recht op WW-uitkering vanaf 1 augustus 2008.
De Raad overwoog dat artikel 7:668a BW, dat de conversie van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten regelt, niet van toepassing is op de berekening van de opzegtermijn in deze situatie. Volgens artikel 7:672 BW Pro moet de opzegtermijn worden berekend op basis van de duur van de laatste arbeidsovereenkomst. De Raad concludeerde dat de opzegtermijn één maand bedraagt en dat het UWV een nieuw besluit moet nemen over het recht op WW-uitkering vanaf 1 augustus 2008, omdat de Raad zelf niet over de benodigde gegevens beschikt.
Uitkomst: De opzegtermijn bedraagt één maand en het UWV moet een nieuw besluit nemen over het recht op WW-uitkering vanaf 1 augustus 2008.