ECLI:NL:CRVB:2012:BV7467
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand vreemdeling met lopende verblijfsvergunningaanvraag
Appellant, een Turkse vreemdeling die sinds 1991 in Nederland verblijft en sinds 1999 op grond van de Vreemdelingenwet 2000, diende in 2008 een aanvraag om bijstand in. Het college wees deze af vanwege het ontbreken van rechtmatig verblijf volgens artikel 11 van Pro de WWB. De rechtbank vernietigde dit besluit in 2009 en beval een nieuwe beslissing. Het college handhaafde daarop de afwijzing, verwijzend naar de Koppelingswet en de vaste rechtspraak.
In hoger beroep betoogde appellant dat er een verboden onderscheid wordt gemaakt tussen vreemdelingen met verblijfsvergunning en vreemdelingen met een lopende aanvraag, en dat er een positieve verplichting bestaat op grond van artikel 8 EVRM Pro. De Raad oordeelde dat de WWB en de Koppelingswet een bewust en aanvaardbaar onderscheid maken dat niet in strijd is met internationale non-discriminatiebepalingen.
Verder stelde de Raad dat hoewel artikel 8 EVRM Pro bescherming biedt, een positieve verplichting ten aanzien van vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf niet via de WWB kan worden ingevuld, maar berust op bestuursorganen die verantwoordelijk zijn voor andere wettelijke voorzieningen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de bijstandsaanvraag bevestigd.