ECLI:NL:CRVB:2012:BW9153
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering wegens ontbreken verblijfstitel en toepassing EVRM-bescherming
Verzoeker, een Ghanese nationaliteit dragende persoon, ontving sinds 2007 een bijstandsuitkering op grond van de WWB. Zijn verblijfsvergunning voor medische behandeling werd niet verlengd, waarna het college de uitkering introk omdat hij niet langer beschikte over een geldige verblijfstitel. Verzoeker voerde aan dat hij als kwetsbaar persoon, vanwege zijn HIV-status en medische behandeling, bijzondere bescherming geniet op grond van artikel 8 EVRM Pro en dat hij niet van voorzieningen mocht worden uitgesloten.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker inderdaad niet tot de kring der gerechtigden op grond van de WWB behoort, conform artikel 16 lid 2 WWB Pro, en dat het college daarom terecht de uitkering introk. De rechter liet de vraag of verzoeker als kwetsbaar persoon bijzondere bescherming geniet op grond van artikel 8 EVRM Pro in het kader van de WWB in het midden, verwijzend naar jurisprudentie dat positieve verplichtingen jegens vreemdelingen onder de WWB beperkt zijn en dat dergelijke verplichtingen bij andere bestuursorganen liggen.
Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen omdat geen spoedeisend belang bestond. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Amsterdam werd bevestigd, en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering wordt bevestigd en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.