ECLI:NL:CRVB:2012:BW9290
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beperking terugvordering toeslag en boete bij gezamenlijke huishouding
Appellante ontving vanaf 5 januari 2005 een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) naast haar WAO-uitkering. Het UWV stelde dat zij samenwoonde met haar ex-man [C.] en trok de toeslag in met terugwerkende kracht, vorderde het bedrag terug en legde een bestuurlijke boete op wegens het niet melden van de gezamenlijke huishouding.
De rechtbank had het standpunt van het UWV onderschreven, maar in hoger beroep oordeelde de Centrale Raad van Beroep dat er slechts voldoende feitelijke grondslag was voor de gezamenlijke huishouding in de periode van 5 januari 2005 tot 1 juni 2005. Voor de periode daarna ontbrak voldoende bewijs dat [C.] zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante.
De Raad beperkte daarom de intrekking en terugvordering van de toeslag tot deze periode en stelde het terugvorderingsbedrag vast op €1.303,82. De opgelegde bestuurlijke boete van €140 werd bevestigd als een evenredige sanctie gezien de ernst van de overtreding en het ontbreken van verminderde verwijtbaarheid. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand van appellante.
Uitkomst: Terugvordering en intrekking toeslag beperkt tot vijf maanden en boete van €140 bevestigd.