ECLI:NL:CRVB:2012:BX0187
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing bijstand na verlening verblijfsvergunning
Appellante, met de Chinese nationaliteit, vroeg op 3 juni 2009 bijstand aan die door het college werd afgewezen omdat zij nog geen verblijfsvergunning had. Dit besluit werd door de rechtbank bevestigd. Na verlening van een verblijfsvergunning per 6 mei 2009 verleende het college bijstand met terugwerkende kracht vanaf die datum en herzag het het eerdere besluit.
Appellante stelde dat het oorspronkelijke besluit haar recht op gezinsleven volgens artikel 8 EVRM Pro schond en vorderde immateriële schadevergoeding. De Raad oordeelde dat het college geen ernstige inbreuk had gemaakt omdat appellante destijds niet tot de bijstandgerechtigden behoorde en de WWB geen positieve verplichting tot bijstand op grond van artikel 8 EVRM Pro kon bieden.
Het verzoek om vergoeding van de kosten van bezwaar werd afgewezen omdat het bestreden besluit niet wegens onrechtmatigheid was herroepen maar vanwege de verblijfsvergunning. Het beroep tegen het herziene besluit was ongegrond. De Raad veroordeelde het college tot vergoeding van proceskosten aan appellante.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot afwijzing van bijstand wordt vernietigd na verlening van een verblijfsvergunning, het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen en het beroep tegen het herziene besluit is ongegrond.