ECLI:NL:CRVB:2012:BX2420
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vergoeding immateriële schade wegens overschrijding redelijke termijn bij opheffing maatregel WWB
Appellant had een maatregel opgelegd gekregen in het kader van de Algemene bijstandswet (Abw), die later werd omgezet in een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Na diverse procedures werd de maatregel deels ongedaan gemaakt met terugwerkende kracht vanaf 19 november 2004, niet vanaf 14 oktober 2002 zoals appellant wenste.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het dagelijks bestuur terecht het bedrag van € 2.454,98, vermeerderd met wettelijke rente, naar de boedelrekening van de bewindvoerder had overgemaakt omdat de schuldsaneringsregeling op appellant van toepassing was. De rechtbank had dit besluit bevestigd.
Appellant vorderde daarnaast een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Raad stelde vast dat de totale procedure duurde ruim zes jaar, waarbij de overschrijding van de redelijke termijn van ruim twee jaar volledig voor rekening van het dagelijks bestuur kwam. Daarom kende de Raad een vergoeding van € 2.500 toe. Verzoeken om overige schadevergoeding werden afgewezen omdat de maatregel geen aantasting van de persoonlijke levenssfeer opleverde.
De Raad vernietigde het deel van de uitspraak van de rechtbank waarin geen vergoeding werd toegekend voor immateriële schade en bevestigde de overige beslissingen. Tevens veroordeelde de Raad het dagelijks bestuur tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Appellant krijgt een immateriële schadevergoeding van € 2.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn; overige beslissingen worden bevestigd.