ECLI:NL:CRVB:2012:BY3495
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van verwijtbare werkloosheid bij weigering voortzetting arbeidsovereenkomst
Appellant, een werknemer die als docent werkzaam was op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, weigerde het aanbod van werkgever om de arbeid voort te zetten op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Hierdoor ontstond werkloosheid. Het geschil betrof de vraag of deze weigering kon worden gekwalificeerd als het nalaten passende arbeid te aanvaarden of het door eigen toedoen geen passende arbeid behouden, zoals bedoeld in artikel 24 van Pro de Werkloosheidswet (WW).
De rechtbank had het besluit van appellant vernietigd omdat het niet voldoende was gemotiveerd en niet alle verplichtingen van de werknemer waren onderzocht. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat volgens de tot 1 januari 2012 geldende tekst van artikel 24, zevende lid, van de WW slechts sprake kan zijn van verwijtbare werkloosheid indien aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt en de werknemer ter zake een verwijt kan worden gemaakt, of indien de dienstbetrekking door of op verzoek van de werknemer is beëindigd zonder dat voortzetting redelijkerwijs kon worden gevergd.
De Raad stelde vast dat appellant niet bevoegd was om de WW-uitkering geheel of gedeeltelijk te weigeren, omdat de wetswijziging die deze situatie corrigeerde pas per 1 januari 2012 in werking trad. Daarom werd de aangevallen uitspraak vernietigd voor zover appellant werd opgedragen een nieuwe beslissing te nemen, maar werd bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit volledig in stand blijven.
Uitkomst: De rechtsgevolgen van het bestreden besluit blijven volledig in stand; appellant hoeft geen nieuwe beslissing te nemen.