ECLI:NL:CRVB:2012:BY4730
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening WAO-uitkering na aanvullend onderzoek naar arbeidsongeschiktheid en intelligentie
Appellant ontving sinds 1982 een WAO-uitkering wegens psychische klachten met een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na herbeoordeling en aanvullend onderzoek door een psychiater concludeerde het UWV dat er sprake was van transculturele problematiek en geen psychiatrische ziekte, waarop de uitkering per 11 december 2007 werd ingetrokken.
De rechtbank vernietigde eerdere besluiten van het UWV wegens onvoldoende medische onderbouwing en onvoldoende bewijs van normale intelligentie. Na aanvullend onderzoek stelde het UWV de arbeidsongeschiktheid opnieuw vast op 45 tot 55%, gebaseerd op het behalen van een LTO-diploma in 1978, wat volgens deskundigen wijst op normale intelligentie. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep betwist appellant de juistheid van de diploma-informatie en de afwijzing van een vergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn. De Raad oordeelt dat het UWV terecht uitging van normale intelligentie, gezien het diploma en de cijferlijst, en dat de belasting van de functies binnen de belastbaarheid van appellant past. De Raad heropent het onderzoek naar de vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en veroordeelt het UWV in de proceskosten.
Uitkomst: De Raad bevestigt de herziening van de WAO-uitkering naar 45-55% arbeidsongeschiktheid en heropent het onderzoek naar vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.