ECLI:NL:CRVB:2012:BY5961
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering WW- en ZW-uitkering wegens niet gemelde zelfstandige activiteiten
Appellant ontving vanaf 2002 een WW-uitkering en maakte geen melding van zelfstandige werkzaamheden in 2004, terwijl uit een bestandsvergelijking met de Belastingdienst bleek dat hij zelfstandigenaftrek had opgevoerd. Het UWV herzag daarop de uitkering en vorderde onverschuldigde betalingen terug. Appellant maakte bezwaar en stelde dat hij door het re-integratiebedrijf SagEnn was begeleid en dat het UWV op de hoogte was van zijn situatie.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, maar in hoger beroep vernietigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak en verklaarde het beroep gegrond tegen de besluiten van 23 mei en 23 oktober 2008. Het beroep tegen het besluit van 23 september 2010 werd ongegrond verklaard. De Raad oordeelde dat appellant de inlichtingenplicht had geschonden door zijn zelfstandige werkzaamheden niet te melden, dat het UWV het beleid consistent had toegepast en dat de opgelegde boete van € 2.269,- een evenredige sanctie was.
De Raad stelde vast dat appellant onvoldoende had onderbouwd dat hij recht had op een hogere uitkering of vrijstelling van terugvordering. Ook was geen sprake van dringende redenen om van terugvordering af te zien. De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten aan appellant en vernietigde de eerdere uitspraak van de rechtbank Zutphen.
Uitkomst: Beroep gegrond tegen besluiten van 23 mei en 23 oktober 2008, boete en terugvordering gehandhaafd, eerdere uitspraak vernietigd.