ECLI:NL:CRVB:2012:BY6039
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening studiefinanciering wegens niet-uitwonende status
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de herziening van haar studiefinanciering over 2010, waarbij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap het besluit nam dat zij niet als uitwonende werd beschouwd. De rechtbank Utrecht verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat geen verschil bestond tussen haar GBA-adres en dat van haar vader, en de feitelijke woonsituatie met twee aparte appartementen niet relevant werd geacht.
In hoger beroep heeft appellante haar standpunt herhaald, zonder nieuwe gronden of verzoek om toepassing van de hardheidsclausule. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat appellante niet als uitwonende kon worden beschouwd volgens artikel 1.1, eerste lid, van de Wsf 2000. Het toekomstige splitsen van het pand in twee adressen was niet van toepassing op de bestreden periode.
De Raad benadrukte dat de regeling bedoeld is om op eenvoudige wijze vast te stellen of een student thuiswonend is, waardoor nuances zoals de feitelijke woonsituatie buiten beschouwing blijven. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante niet als uitwonende kan worden aangemerkt en wijst het beroep af.