ECLI:NL:CRVB:2013:1090
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering kinderbijslag wegens ontbreken verblijfsvergunning
Appellant, met de Burundische nationaliteit, verbleef met zijn gezin in Nederland zonder geldige verblijfsvergunning en werd daarom door de Sociale verzekeringsbank (Svb) uitgesloten van kinderbijslag. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep.
Appellant voerde aan dat de weigering in strijd was met artikel 8 EVRM Pro, het Europees Sociaal Handvest, het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) en het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. De Raad oordeelde dat deze verdragen geen directe werking hebben die het koppelingsbeginsel in de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) doorbreekt.
De Hoge Raad bevestigde dat het onderscheid naar verblijfsstatus een legitiem doel dient en proportioneel is. Ook de schrijnende situatie van appellant en zijn gezin leidt niet tot een uitzondering op het koppelingsbeginsel. De Raad concludeert dat de weigering van kinderbijslag op grond van verblijfsstatus een objectieve en redelijke rechtvaardiging heeft en het bestreden besluit dient te worden bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van kinderbijslag wegens het ontbreken van een rechtmatige verblijfsvergunning.