Uitspraak
OVERWEGINGEN
“Niet verzekerd is de vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000”.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, een staatloze Roma die sinds 1998 in Nederland verblijft met haar vier kinderen, vroeg kinderbijslag aan. Deze aanvraag werd afgewezen omdat zij niet over een geldige verblijfsvergunning beschikt en daardoor niet verzekerd is onder de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de koppelingswetgeving die het recht op kinderbijslag koppelt aan een rechtmatig verblijf, niet buiten toepassing hoeft te blijven vanwege de achtergrond van appellante. Het beroep op artikel 8 EVRM Pro en het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) werd verworpen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak en verwees naar eerdere rechtspraak en de Hoge Raad die stelde dat het onderscheid naar verblijfsstatus een legitiem doel dient en proportioneel is. De Raad oordeelde dat de weigering van kinderbijslag niet leidt tot een onmogelijke normale ontwikkeling van het privé- en gezinsleven van appellante en haar kinderen.
De Raad benadrukte dat positieve verplichtingen uit artikel 8 EVRM Pro primair rusten op bestuursorganen die voorzieningen voor vreemdelingen uitvoeren en dat de AKW niet dient te worden ingezet om deze verplichtingen te realiseren. De afwijzing van de kinderbijslagaanvraag blijft daarom in stand.
Uitkomst: De afwijzing van de kinderbijslagaanvraag wordt bevestigd omdat appellante niet rechtmatig in Nederland verblijft en dit niet in strijd is met artikel 8 EVRM.