Appellant is sinds april 2009 arbeidsongeschikt vanwege nek- en rugklachten. Het UWV stelde in januari 2011 vast dat appellant recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering met een arbeidsongeschiktheid van 43,91%. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV werd afgewezen. De rechtbank Middelburg verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd.
In hoger beroep betoogde appellant dat het medisch onderzoek niet door een geregistreerde verzekeringsarts was verricht en dat zijn beperkingen onderschat waren. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het gebrek aan registratie was hersteld doordat het rapport mede was ondertekend door een geregistreerde verzekeringsarts die als mentor optrad. Ook was er geen reden om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het onderzoek.
De Raad onderschreef de eerdere beoordeling dat de vastgestelde belastbaarheid van appellant juist was en dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren. De subjectieve beleving van appellant dat hij geen werk kon verrichten werd onvoldoende geacht om de vaststelling te betwijfelen. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.