Uitspraak
OVERWEGINGEN
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving een WW-uitkering en werkte in de periode van 1 december 2011 tot en met mei 2012 met toestemming van het UWV bij een werkgever. Na beëindiging van deze werkzaamheden richtte appellant een VOF op en trad na enkele weken uit. Het UWV stelde dat appellant in de periode van 30 juli 2012 tot en met 2 september 2012 werkzaamheden verrichtte voor een werkgever, hetgeen appellant betwistte.
Het UWV legde appellant een boete op wegens het niet doorgeven van deze werkzaamheden, maar deed geen aanvullend onderzoek naar de juistheid van de door appellant aangevoerde feiten. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, stellende dat de boete terecht was opgelegd.
In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat het UWV onvoldoende bewijs heeft geleverd dat appellant daadwerkelijk werkzaamheden heeft verricht in de betwiste periode. Het bezwaar was uitsluitend gericht tegen het boetebesluit, waardoor het herzienings- en terugvorderingsbesluit onaantastbaar is, maar de feiten die ten grondslag liggen aan de boete wel volledig beoordeeld kunnen worden.
De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank, verklaart het beroep gegrond, vernietigt het boetebesluit en veroordeelt het UWV in de proceskosten van appellant. Tevens wordt het griffierecht aan appellant vergoed.
Uitkomst: Het boetebesluit van het UWV wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs van overtreding van de inlichtingenplicht.