ECLI:NL:CRVB:2013:2119
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens bezit woning in buitenland en schending inlichtingenplicht
Appellant ontving bijstand sinds 2005 en werd in 2010 door de Duitse politie gemeld als eigenaar van een woning in Duitsland. Na onderzoek concludeerde het college dat appellant vermogen boven de vermogensgrens bezat en zijn inlichtingenplicht had geschonden door het bezit en de verhuur van de woning niet te melden. Het college trok de bijstand in en vorderde de kosten terug over de periode 2006-2011.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellant ongegrond. Appellant voerde aan dat hij niet over de woning kon beschikken omdat deze op zijn naam stond voor zijn neef, maar slaagde er niet in dit aannemelijk te maken met objectieve en verifieerbare gegevens. Ook het verzoek om nadere bewijslevering werd afgewezen omdat appellant daartoe voldoende gelegenheid had gehad.
Verder werd vastgesteld dat appellant geen duidelijke informatie gaf over de huurinkomsten en dat de verklaring die hij in 2011 aflegde, ondanks latere terugtrekking, als juist werd aangenomen. De Raad oordeelde dat het college terecht de bijstand introk en terugvorderde en dat er geen bijzondere omstandigheden waren die een uitzondering op het terugwerkende beleid rechtvaardigden.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens bezit van een woning in Duitsland en schending van de inlichtingenplicht.