ECLI:NL:CRVB:2013:BZ5578
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.C.F. Talman
- R.H.M. Roelofs
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens toereikende basistoelage Wtos als voorliggende voorziening
Betrokkene, een voltijd VWO-scholiere die bij haar moeder woont, ontving een basistoelage op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (Wtos) en vroeg bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). De aanvraag werd afgewezen omdat de basistoelage werd beschouwd als een passende en toereikende voorliggende voorziening voor de kosten van levensonderhoud.
De rechtbank had de aanvraag aanvankelijk toegewezen omdat de basistoelage niet alle noodzakelijke kosten dekte en betrokkene daardoor recht zou hebben op aanvullende bijstand. De Raad oordeelde echter dat de basistoelage op grond van de Wtos niet bedoeld is om alle kosten te dekken, maar dat dit een bewuste keuze van de wetgever is. Daarom kan voor de kosten die niet door de basistoelage worden gedekt in beginsel geen bijstand worden verleend.
De Raad benadrukte dat artikel 15 van Pro de WWB en artikel 17 van Pro de Algemene bijstandswet identieke bepalingen bevatten en dat de basistoelage als toereikende voorliggende voorziening moet worden beschouwd. De door betrokkene aangevoerde inkomensachteruitgang en het verschil met studiefinanciering voor hoger onderwijs waren onvoldoende om hiervan af te wijken. Het beroep op een verdragsrechtelijk discriminatieverbod werd verworpen omdat scholieren en studenten geen gelijke gevallen zijn.
De Raad vernietigde de eerdere uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep ongegrond en vernietigde de daaropvolgende besluiten die op de uitspraak waren gebaseerd. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de bijstandsaanvraag wordt afgewezen omdat de basistoelage Wtos een passende en toereikende voorliggende voorziening is.