ECLI:NL:CRVB:2013:BZ5764
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- J.J.T. van den Corput
- Rechtspraak.nl
Beoordeling loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen bij langdurige ziekte
De zaak betreft een hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) tegen een uitspraak van de rechtbank Haarlem die een loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen vernietigde. De werkgever had de loonsanctie opgelegd omdat de werknemer vanaf februari 2009 naar het oordeel van het UWV normaal belastbaar was, terwijl onvoldoende re-integratie-inspanningen waren verricht.
De rechtbank oordeelde dat de medische stukken inconsistenties bevatten en dat de bezwaarverzekeringsarts onvoldoende onderzoek had gedaan naar de medische toestand van de werknemer, waardoor de loonsanctie niet gegrond was. Het UWV stelde in hoger beroep dat de werkgever zich terecht op het standpunt had gesteld dat de re-integratie-inspanningen onvoldoende waren, mede omdat de bedrijfsarts op 28 augustus 2009 aangaf dat de werknemer slechts voor 50% belastbaar was en dat er onvoldoende tweede-spooractiviteiten waren gestart.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het hoger beroep ontvankelijk was en dat het standpunt van het UWV terecht was. De Raad stelde dat de bedrijfsarts tijdig de belastbaarheid had moeten vaststellen en dat er passende re-integratie-inspanningen hadden moeten worden verricht. Ook was de behandeling van de depressieve klachten niet adequaat gestart. De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van het UWV ongegrond, waarmee de loonsanctie bleef gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep van het UWV wordt ongegrond verklaard en de loonsanctie blijft gehandhaafd.