ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9140
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens vermeende verwijtbare werkloosheid niet zorgvuldig vastgesteld
Appellant was sinds 2000 werkzaam als plantsoenwerker en werd op 9 februari 2011 door zijn werkgever op staande voet ontslagen wegens het vermeend bedreigen van een stagiair met een mes. Het UWV weigerde daarop een WW-uitkering omdat appellant verwijtbaar werkloos zou zijn.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat de bedreiging een dringende reden vormde voor ontslag. Appellant stelde in hoger beroep dat het UWV niet zorgvuldig had gehandeld en dat het ontslag niet terecht was.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV onvoldoende onderzoek had verricht en zich had gebaseerd op summiere en niet-onderbouwde informatie van de werkgever. Er ontbraken schriftelijke verklaringen van betrokken stagiairs en een verslag van de hoorzitting. Gezien het ontbreken van bewijs en het tijdsverloop kon niet worden vastgesteld dat appellant zich schuldig had gemaakt aan de gedraging.
Daarom was het besluit van het UWV niet zorgvuldig en niet deugdelijk gemotiveerd. De Raad droeg het UWV op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, waarbij rekening moet worden gehouden met de overwegingen van de Raad.
Uitkomst: Het UWV heeft ten onrechte de WW-uitkering geweigerd wegens onvoldoende bewijs van verwijtbare werkloosheid.