ECLI:NL:CRVB:2014:119
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.M. van Male
- M.F. Wagner
- G. van Zeben-de Vries
- Rechtspraak.nl
Weigering persoonsgebonden budget wegens toepassing WSNP op ouders
Appellant, geboren in augustus 1996, had een indicatie voor zorgfunctie Begeleiding op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Het Zorgkantoor weigerde op 5 januari 2011 een persoonsgebonden budget (pgb) toe te kennen omdat op zijn ouders de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP) van toepassing was verklaard. Appellant maakte bezwaar en voerde aan dat het Zorgkantoor een belangenafweging had moeten maken.
Het bezwaar werd ongegrond verklaard door het Zorgkantoor, dat zich baseerde op artikel 2.6.4, tweede lid, aanhef en onder f, van de Regeling subsidies AWBZ (RsA), waarin expliciet is bepaald dat in een dergelijke situatie het pgb geweigerd moet worden zonder ruimte voor belangenafweging. De rechtbank bevestigde deze uitleg en verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat uit niets bleek dat van artikel 4:35 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) werd afgeweken, dat immers een facultatieve weigeringsgrond bevat. De Raad overwoog echter dat artikel 4:35 Awb Pro aanvullend is en dat bijzondere subsidieregelingen zoals de RsA daarvan mogen afwijken. De RsA bepaalt expliciet dat bij toepassing van de WSNP op ouders het pgb geweigerd moet worden zonder belangenafweging.
De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het Zorgkantoor. Het hoger beroep slaagde niet. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het persoonsgebonden budget wegens toepassing van de WSNP op de ouders van appellant.