ECLI:NL:CRVB:2014:1902
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde autohandel
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Uit onderzoek van de Sociale Recherche Fryslân bleek dat zij gedurende meerdere jaren tientallen auto's kortstondig op hun naam hadden staan, zonder dit te melden aan het college. Dit leidde tot een besluit van het college om de bijstand over een periode van ruim acht jaar in te trekken en terug te vorderen.
De rechtbank Leeuwarden vernietigde dit besluit gedeeltelijk omdat de intrekking over december 2004 niet gehandhaafd kon worden, maar bevestigde de bevoegdheid van het college voor de overige maanden. Appellanten gingen in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het college aannemelijk had gemaakt dat er sprake was van autohandel en dat appellanten de inlichtingenplicht hadden geschonden door de transacties niet te melden. De stelling dat sommige auto's voor consumptief gebruik waren, werd niet aannemelijk gemaakt. Het beroep werd ongegrond verklaard en het college mocht het terug te vorderen bedrag handhaven.
De Raad wees tevens op het ontbreken van controleerbare gegevens over inkomsten uit de transacties, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Het beroep tegen het nadere besluit van het college werd eveneens ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep van appellanten wordt afgewezen en het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt bevestigd.