Uitspraak
M.J.H. Maas.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, een voormalig beroepsmilitair die functioneel leeftijdsontslag kreeg, ontving een UGM-uitkering en vroeg aansluitend een WW-uitkering aan. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) bracht de UGM-uitkering op grond van artikel 34 van Pro de Werkloosheidswet (WW) in mindering op de WW-uitkering, omdat de UGM-uitkering wordt gezien als een uit een dienstbetrekking voortvloeiende periodieke uitkering bij wijze van oudedagsvoorziening.
Appellant betwistte dit en stelde dat de UGM-uitkering niet als oudedagsvoorziening moet worden aangemerkt, maar als een uitkering wegens het einde van zijn militaire loopbaan door gedwongen leeftijdsontslag. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en verwees naar eerdere jurisprudentie.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel en oordeelde dat de UGM-uitkering inderdaad onder de definitie van artikel 3:5 van Pro het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten valt. De Raad wees erop dat de UGM-uitkering hoger was dan het WW-recht van appellant, waardoor de WW-uitkering niet werd uitbetaald. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De UGM-uitkering is terecht in mindering gebracht op de WW-uitkering en het hoger beroep wordt verworpen.