ECLI:NL:CRVB:2012:BX8998
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Anticumulatie van UGM-uitkering met WW-uitkering voor gewezen militair
Betrokkene, een gewezen militair, ontving sinds 2002 een uitkering op grond van de Uitkeringswet gewezen militairen (UGM) na functioneel leeftijdsontslag. Na diverse dienstverbanden vroeg hij een WW-uitkering aan, die door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) werd toegekend, maar verminderd met de UGM-uitkering vanwege anticumulatie.
De rechtbank oordeelde aanvankelijk dat de UGM-uitkering niet als oudedagsvoorziening kon worden aangemerkt en vernietigde het besluit van het UWV wegens een motiveringsgebrek. Het UWV stelde zich in hoger beroep op het standpunt dat de UGM-uitkering gelijkgesteld moet worden met een ouderdomspensioen en dus in mindering gebracht mag worden op de WW-uitkering.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde dat de UGM-uitkering een periodieke uitkering is die als oudedagsvoorziening geldt, ook na wetswijzigingen die de anticumulatieregeling versoepelden. Het beroep op het vertrouwensbeginsel door betrokkene werd verworpen omdat het eerdere niet-korten van de WW-uitkering een fout was die niet herhaald hoeft te worden.
De Raad vernietigde de tussenuitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond, waarmee het besluit van het UWV stand houdt dat de WW-uitkering wordt verminderd met de UGM-uitkering.
Uitkomst: De UGM-uitkering wordt terecht in mindering gebracht op de WW-uitkering, waardoor het beroep ongegrond wordt verklaard.