ECLI:NL:CRVB:2014:2842
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.M. van Male
- G. van Zeben-de Vries
- D.S. de Vries
- Rechtspraak.nl
Bevestiging buitenlandbijdrage voor AOW-pensioenontvanger woonachtig in Frankrijk zonder keuzerecht
Appellant woont in Frankrijk en ontvangt een AOW-pensioen. Hij is ingeschreven bij het Franse zorgorgaan CPAM via een E 121-verklaring, waarin staat dat de zorgkosten ten laste van Nederland komen. Het Zorginstituut stelde dat appellant een buitenlandbijdrage moet betalen omdat hij geen wettelijk recht op zorg in Frankrijk heeft. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij in Frankrijk werkt en belasting betaalt, waardoor hij onder artikel 34, tweede lid, van Verordening 1408/71 zou vallen en geen buitenlandbijdrage verschuldigd zou zijn. Ook stelde hij dat er sprake is van dubbele heffing en dat hij toegang wil tot dezelfde AWBZ-zorg als in Nederland.
De Raad oordeelde dat appellant geen wettelijk recht op zorg in Frankrijk heeft, zoals bevestigd door het CPAM via de E 121-verklaring. De Raad benadrukte het belang van rechtszekerheid en het vertrouwen in deze verklaring. De Raad verwierp het beroep op artikel 34 lid 2 omdat Pro appellant geen aanspraak op zorgverstrekkingen heeft in Frankrijk. Ook is er geen sprake van dubbele heffing omdat de buitenlandbijdrage een sociale bijdrage is voor het Nederlandse stelsel. De Raad bevestigde dat appellant recht heeft op zorg volgens het woonlandpakket in Frankrijk, maar dat dit niet gelijk is aan het Nederlandse pakket.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de buitenlandbijdrage blijft verschuldigd.