ECLI:NL:CRVB:2014:3030
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling en intrekking bijstand bij appellant met complexe verblijfsstatus
Appellant, geboren in 1951, heeft meerdere keren een aanvraag om bijstand ingediend die door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam werd afgewezen vanwege het ontbreken van een geldige verblijfsvergunning. Na vaststelling dat appellant sinds zijn geboorte de Nederlandse nationaliteit bezit, werd bijstand toegekend met terugwerkende kracht vanaf 9 september 2012.
Het college heroverwoog eerdere besluiten en trok de bijstand per 8 mei 2013 in vanwege onvoldoende duidelijkheid over de woon- en leefsituatie van appellant. Appellant gaf aan dakloos te zijn en leefde deels op straat en in opvangvoorzieningen. De Raad oordeelde dat de intrekking onvoldoende feitelijke grondslag had en dat het college onterecht het recht op bijstand voor de periode van 14 februari 2011 tot 3 maart 2011 niet had vastgesteld.
De Raad stelde dat appellant niet volledig aan zijn inlichtingenplicht kon voldoen vanwege omstandigheden en dat het risico hiervan niet volledig voor zijn rekening mocht komen. De schending van artikel 3 en Pro 8 EVRM werd niet vastgesteld. De Raad vernietigde de aangevallen uitspraken, beval het college tot hernieuwde besluitvorming en veroordeelde het college tot vergoeding van wettelijke rente en proceskosten aan appellant.
Uitkomst: De Raad vernietigt eerdere uitspraken en besluiten, beveelt hernieuwde besluitvorming door het college en veroordeelt het college tot vergoeding van wettelijke rente en proceskosten.