ECLI:NL:RBDHA:2022:7737
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding en oplegging boete
Eisers, een stel met twee kinderen, voerden gezamenlijk beroep tegen besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Westland betreffende de intrekking en terugvordering van bijstandsuitkering over de periode 1 september 2019 tot en met 30 januari 2020 en de oplegging van een bestuurlijke boete.
Verweerder stelde dat eisers vanaf 1 september 2019 een gezamenlijke huishouding voerden, hetgeen niet was gemeld door eiseres, waardoor zij haar inlichtingenplicht schond. Uit onderzoek, waaronder burenverklaringen, bankafschriften en een gesprek van 31 januari 2020, bleek dat eiser zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had. Eisers betwistten de gezamenlijke huishouding tot 24 december 2019, maar konden dit niet overtuigend aantonen.
De rechtbank oordeelde dat verweerder de bewijslast voldoende had voldaan en dat de intrekking en terugvordering terecht waren. Ook was de boete terecht opgelegd wegens schending van de inlichtingenplicht, waarbij rekening was gehouden met de draagkracht van eiseres. De beroepen werden ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: De beroepen tegen intrekking en terugvordering van bijstand en oplegging boete worden ongegrond verklaard.