ECLI:NL:CRVB:2014:3913
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering WAO-uitkering wegens niet gemelde inkomsten uit arbeid
Appellant ontving sinds 2001 een WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%. Na een anonieme melding startte het UWV een onderzoek naar werkzaamheden die appellant zou hebben verricht voor een schildersbedrijf. Op basis van het onderzoeksrapport stelde het UWV de uitkering per 1 januari 2009 bij en vorderde onverschuldigd betaalde bedragen terug.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellant ongegrond, stellende dat appellant inkomsten uit arbeid had genoten zonder deze te melden, en dat het UWV terecht de inkomsten had geschat. Appellant voerde in hoger beroep aan slechts hand- en spandiensten te hebben verricht zonder inkomsten te verzwijgen, en dat hij was geïnformeerd over een maximale bijverdiengrens.
De Raad oordeelde dat appellant werkzaamheden verrichtte waaraan loonwaarde kon worden toegeschreven en dat het UWV terecht artikel 44 van Pro de WAO toepaste om de uitkering te verlagen. Appellant had geen opgave gedaan in strijd met artikel 80 WAO Pro en kon de schatting van het UWV niet weerleggen met concrete gegevens. Ook de door appellant aangevoerde dringende redenen voor afzien van terugvordering werden niet erkend. Het hoger beroep faalde en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de terugvordering van de WAO-uitkering bevestigd.