ECLI:NL:CRVB:2014:475
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.C.F. Talman
- J.F. Bandringa
- F. Hoogendijk
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor reiskosten bij omgang minderjarige dochter
Appellante, een ontvanger van een Wajong-uitkering, verzocht bijzondere bijstand voor reiskosten in verband met het ophalen van haar minderjarige dochter bij haar ex-partner. Het dagelijks bestuur van de ISD Noordoost wees de aanvraag af omdat de dochter niet ten laste van appellante komt, zoals vereist in de Regeling Schoolgaande Kinderen en de Participatieregeling.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze afwijzing ongegrond. Appellante stelde in hoger beroep dat haar ex-partner onvoldoende draagkracht heeft om bij te dragen aan de kosten en dat de vergoeding ook noodzakelijk is voor de uitvoering van therapeutische sessies voor haar dochter. Zij voerde tevens aan dat er dringende redenen zijn op grond van artikel 16 WWB Pro.
De Raad oordeelde dat de dochter niet als ten laste komend kind kan worden aangemerkt omdat appellante geen recht op kinderbijslag had voor haar dochter. Hierdoor kan zij geen aanspraak maken op bijzondere bijstand op grond van artikel 35, vijfde lid, WWB. Ook artikel 16 WWB Pro is niet van toepassing omdat appellante recht op bijstand heeft en deze bepaling alleen geldt voor personen zonder recht op bijstand.
De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, met een verbetering van de motivering. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag voor bijzondere bijstand voor reiskosten wordt afgewezen omdat de dochter niet ten laste komt van appellante.